De legende van de gouden beer De legende van de gouden beer

Ik begreep lang niet alles als meester Van Tingen de vragen beantwoordde die ik hem na afloop van de zondagsschool stelde wanneer de andere kinderen al lang opgelucht naar huis waren gerend. Zijn opvattingen over goed en kwaad bijvoorbeeld. Mag een uitgehongerde bedelaar een krentenbol stelen als hij geen geld heeft? Dat vroeg ik hem met in mijn achterhoofd een discussie tussen mijn ouders waarbij mijn moeder stelde dat stelen onder alle omstandigheden zondig is terwijl mijn vader beweerde dat hij desnoods een grote en goedgevulde bakkerskar zou leegroven wanneer zijn vrouw en kind niets meer te eten hadden. Geen enkele bakkersknecht zou hem daar van kunnen weerhouden. En God ook niet want die zou in een dergelijke noodsituatie zeker een oogje dicht knijpen.


Van Tingen dacht een tijdje na en gaf mijn ouders vervolgens allebei gelijk. Als mijn vader niet de complete inhoud van de kar zou ontvreemden maar als hij het echt alleen maar bij twee bolletjes zou laten dan zou God dat inderdaad, gelet op de acute noodsituatie, door de vingers zien. Maar los daarvan had mijn moeder volgens meester gelijk omdat stelen nu eenmaal stelen is. Ik vond dit een onbevredigend antwoord maar dat zei ik niet omdat ik de lieve vrede tussen meester en mij niet wilde verstoren. Het was een antwoord. En dat vond ik fijn want op mijn meest indringende vraag gaf hij niet eens antwoord. Tussen de dogmatische leefregels die mijn vaak zwaarmoedige moeder in het gareel hielden en de vrijblijvende regeltjes die mijn doorgaans vrolijke vader hanteerde gaapte een diepe kloof. Daarom wilde ik heel graag weten wie er op het godsdienstige vlak gelijk had. Va of Moe. Maar Van Tingen wilde ook in dit geval geen partij kiezen.


Misschien kon hij de diepere gronden van die ouderlijke kloof wel verklaren maar dat deed hij niet. Hij kwam niet verder dan: ‘Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.’ Waarna hij mij geheel onverwacht een kopje warme chocolademelk inschonk. Ik heb dat toen ervaren als een liefdevol gebaar waarmee hij zijn ontwijkende opstelling naar mij toe, zeker op dat moment, meer dan goedmaakte.


Hij leerde mij gelukkig wel dat een mens dat op basis van een principieel-religieuze grondslag leeft en handelt in het algemeen veel sterker in zijn of haar schoenen staat dan iemand die op inhoudelijk gebied maar een beetje aanrommelt. Hij geloofde heilig in de drieslag ‘God, Nederland en Oranje’ en in de tot nu toe ook volgens mij onweerlegbare leuze: ’In beginselvastheid ligt onze kracht’. Die overtuiging probeerde hij op ons over te brengen. Maar wij, als kinderen, snapten daar niets van.


Pas veel later in mijn leven begreep ik dat hij daarmee de legendarische staatsman Groen van Prinsterer had geciteerd. Meester had het dus niet van zichzelf. En nadat ik mij er omstreeks mijn veertigste levensjaar in begon te verdiepen kwam ik na een tijdje tot de conclusie dat de heren Groen en Van Tingen gelijk hadden. Het geeft mij rust, nu ik weet dat het behoud van geestelijke en morele stabiliteit in moeilijke tijden een bewuste keuze kan zijn. Niet alleen in jezelf. Maar ook als het gaat om de stabiliteit van de maatschappij in het algemeen.


Van Tingen verafschuwde in dit verband de Franse Revolutie omdat daarbij de heilige drieslag vervangen werd door de populistische kreten; Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. En hij bezorgde ons klasje op collectieve schaal nachtmerries met zijn plastische beschrijvingen van de onthoofding van de laatste koning van Frankrijk. Ik heb het bloedende hoofd van Lodewijk de Zestiende menigmaal vanaf mijn nachtkastje over de ruw houten vloer van mijn slaapkamertje zien rollen.


Om over het beeld dat het lot van zijn echtgenote Marie Antoinette in mij opriep toen ik er veel later een boek over las nog maar te zwijgen hoewel ik dat nu toch maar even niet doe uit solidariteit met de verguisde Majesteit die, als het er op aankomt, ook maar een simpel mensenkind was. In de kille krochten van de gevangenis in Parijs werd zij nachtenlang vernederd en onteerd door hitsige en wraaklustige kerels. Ik weet dan ook haast wel zeker dat zij niet meer bang is geweest voor het glimmende staal van de valbijl toen zij als een lichamelijk en geestelijk wrak door de straten van Parijs naar het schavot werd gevoerd. Zij wist toen dat het moment van verlossing voor haar eindelijk nabij was.


Onze meester was tot op zekere hoogte een vrijdenker. Hij was er van overtuigd dat de aarde al vele miljarden jaren bestaat en dat de huidige landschapsvormen aan de oppervlakte nog  piepjong zijn. Hij beschouwde het scheppingsverhaal waarmee de Bijbel begint dan ook als een, in meer of mindere mate geslaagde, poging om een onbegrijpelijke realiteit onder woorden te brengen. God schiep alles wat wij kennen. Daar was meester van overtuigd. Maar dat Hij dat in zes aardse dagen zou hebben gedaan dat wilde er bij hem niet in.


Tegenwoordig weten wij dat Van Tingen gelijk had en dat het scheppingsproces nog steeds gaande is. Er worden ook nu nog regelmatig sterren en planeten geboren in ons universum dat alsmaar groter en groter wordt terwijl andere scheppingsvormen meedogenloos worden opgeslokt door zwarte gaten waarvan niemand de aard en de functie kent. God schiep en schept een universum dat ons verstand verre te boven gaat. En ook nu weer ben ik het met Van Tingen eens.


Soms verlang ik, in een flits van volkomen helder bewustzijn, oprecht naar de dood omdat ik in het hiernamaals misschien antwoord krijg op al mijn vragen. Als het een beetje meezit tenminste. Want het kan natuurlijk ook zo zijn dat Barteld Jansen aan de andere kant op mij zit te wachten en dan heeft vragen stellen verder nog weinig zin. Dat zou niet zo mooi zijn voor hem. Ik moet er niet aan denken. Want als er ook maar één persoon in mijn leven is geweest die ik van ganser harte eeuwige rust gun dan is het mijn eigen lieve Barteld Jansen wel.

de legende van de gouden beer -2 de legende van de gouden beer -2