het-sterfbedje-van-mijn-moeder De legende van de gouden beer
de legende van de gouden beer -2

De rugzak van mijn moeder was topzwaar van onterecht schuldgevoel toen zij op haar sterfbed de juiste weg naar de hemel probeerde te vinden. Ik had met haar te doen. Zij bad voortdurend en ik steunde haar daarin met een geïmproviseerde meditatie. Ik weet niet of ik haar daarmee geholpen heb. Maar aan het eind van de barre tocht gebeurde er een hemels wonder.


Mijn vader had het minder moeilijk met het heengaan dan zij. Hij sprong als het ware vrolijk uit het leven ook al heeft hij dat zelf waarschijnlijk niet zo ervaren. Hij verongelukte op een podium in een buurthuis in Assen toen hij, als eerste solist van een autochtone dans en klederdrachtformatie, tijdens een live uitzending van RTV-Drenthe een klompendansje uitvoerde op de muziek van James Last. Hij verwachtte het oorspronkelijke tempo van ‘Hoog op de gele wagen’ en wist niet dat ik de dienstdoende geluidstechnicus een gedeeltelijke hardrock-remix had overhandigd die ik de avond van te voren op mijn laptop in elkaar had geknutseld.


Het nummer begon rustig en mijn vader danste er vrolijk en kundig op los. Totdat in het tweede deel van het mp3-tje mijn creatieve ingreep uit de luidsprekers knalde. Hij schrok en probeerde het onverwachte tempo bij te benen en zelfs te evenaren terwijl zijn klompen door de lucht vlogen waardoor de geluidsman een boventand en enkele knopjes van zijn mengpaneel verloor.


Achteraf gezien had ik Pa de kans moeten geven om te repeteren. Hij viel achterover van het podium en heeft nog een paar dagen met inwendige kneuzingen, een geperforeerde liesbreuk en volkomen bewusteloos in het ziekenhuis gelegen. Maar daar kon men niets meer voor hem doen omdat een ziekenhuisbed in bepaalde gevallen en situaties veel te duur is. Hij stierf net nadat ik hem in een inderhaast gehuurd bestelbusje bij het verpleeghuis had afgeleverd. Ik ben er maar vanuit gegaan dat het al met al een natuurlijke dood is geweest. Want wat moet je er als liefhebbende dochter anders van denken?


En nu was mijn moeder aan de beurt. Zij lag voor deze speciale gelegenheid in mijn woonkamer, in mijn eigen eenpersoonsbed waarvan ik toen al zeker wist dat ik het zo snel mogelijk naar de stortplaats zou brengen zodra zij het niet meer nodig had. De wee-zoete geur van haar angstzweet zou mij de rest van mijn leven uit de slaap houden als ik mijzelf niet, meteen na haar dood, een verfrissend bezoek aan de beddenafdeling van IKEA zou gunnen. Ik had de catalogus alvast op het bijzettafeltje gelegd. Haar kunstgebit lag er naast.


Zij huilde af en toe zonder tranen en kreunde voortdurend. Haar handen omklemden de oude Statenbijbel alsof haar leven er vanaf hing. Schuldgevoelens plaveiden de brede weg waarop zij liep. Zij wist dat die niet naar de hemelpoort zou leiden. En zij zocht daarom wanhopig naar de smalle weg die zij tijdens haar leven had bewandeld maar die zij nu uit angst niet kon vinden. De eenzame strijd die zij voerde zou nog uren kunnen duren. Ik besefte dat ik haar een handje moest helpen.



Mijn echtgenoot Barteld Jansen zat te figuurzagen in zijn mancave. Hij maakte een weerbestendig vogelhuisje dat hij te zijner tijd op het graf van zijn geliefde schoonmoeder wilde plaatsen. Als een verlaat eerbetoon misschien. Ik begreep niet waarom hij het zaagwerk perse niet bij haar en mij in de kamer wilde doen want dat was wel zo gezellig geweest. Maar ik had wel een vermoeden. Zijn onvermogen om gevoelens te tonen die dieper gingen dan die van een rouwende voetbalsupporter na een verloren wedstrijd speelde hem waarschijnlijk parten. Ik denk dat hij daarom in deze moeilijke uren in zijn schuurtje naar de figuurzaag greep.


Mijn vier meelevende dochters waren met spoed op vakantie gegaan toen zij hoorden dat hun oma het niet lang meer zou maken. Veertien dagen naar Ameland om er even heerlijk met zijn allen uit te waaien. Grietje, Geertje, Geesje en Gratje, die schattige dochtertjes van mij en natuurlijk ook wel een beetje van Barteld, die zielsveel van hun oma hielden maar die mij blijkbaar het alleenrecht op het aanschouwen van haar moeizame stervensproces gunden.


Onze jonge huisarts Johan had de kamer verlaten nadat hij mijn moeder een grijze capsule in haar mond had gepropt. Het was niet zeker of zij die zelf nog kon doorslikken maar dat was volgens Johan niet belangrijk omdat zo’n capsule na een tijdje vanzelf wel smelt. Hij zat nu bij Barteld in het schuurtje. Ik hoorde hoe de mannen op gedempte toon met elkaar van gedachten wisselden en hoe zij elkaar aflosten bij het zagen. Ik kon mij voorstellen dat zij een beetje nerveus waren want figuurzagen kan slecht aflopen als je het gloeiendhete zaagje na een breuk niet op tijd en vooral ook niet op de juiste wijze vervangt.


Meer dan eens had ik de ranzige brandlucht geroken van het smeulende eelt op Bartelds linker duim en wijsvinger. Hij was linkshandig in alles wat hij deed en naliet. De slanke vingers van Johan daarentegen waren vrij van eelt en voelden zacht en strelend aan, zo wist ik uit ervaring, omdat hij jaarlijks een uitstrijkje van en voor mij maakte waarna hij ook nog even uitgebreid en vakkundig op zoek ging naar verborgen knobbeltjes in mijn beide borsten.


Nadat ik mijn moeder een handje had geholpen door de pil vanaf haar tong met een liefdevolle intentie in haar keelgat te persen begon zij zeer onregelmatig te ademen. Soms bewoog haar borst vrij lang niet meer. Maar telkens wanneer ik dacht dat het einde gekomen was volgde er een eruptie van gerochel die haar herfstige moederlichaam deed opleven en die haar borsten ogenschijnlijk weer levensvatbaar maakte. Ik wist dat ik mij ooit aan deze borsten had vastgeklemd om er uit te drinken. Vanuit de zelfde levensdrang waarmee zij nu de Statenbijbel omklemde.


Terwijl de grijze capsule langzaam smolt probeerde ik een manier te vinden om haar doodsbange geest tot rust te brengen. Ik dacht aan alles wat de Gouden Beer mij had geleerd, met name op het gebied van stervensbegeleiding. Het is niet goed als een lichaam er al mee stopt terwijl de dolende ziel de weg naar het verlossende licht nog niet heeft gevonden. Je moet eerst thuiskomen voordat je als ziel op reis kunt gaan.


Mijn moeders lippen kleurden blauw en haar lichaam werd kouder en kouder. Ik richtte mijn volledige aandacht op het Kwantumveld waarin De Heilige geest en de materiewerkelijkheid in elkaar overvloeien en bad op mijn manier oprecht en intens met haar mee. Opeens voelde ik dat wij ergens in het niemandsland dat het leven en de dood van elkaar scheidt heel even hand in hand mochten lopen. Twee meisjes met een eigen levensverhaal. Totaal verschillend van elkaar maar toch ook eigenlijk zusjes. Zij had in mijn leven de moederrol op zich genomen en ik vertolkte in het hare nu nog heel even de rol van haar dochter. Totdat de Bijbel uit haar handen viel en ik merkte dat zij ook mijn astrale hand los liet.


En terwijl ik vanuit de mancave hoorde dat er een zaagje knapte waarop ik al snel de overbekende en ook nu weer ranzige brandlucht mocht opsnuiven verscheen er een hemels licht dat de kamer met warmte vulde. En in dat licht zag ik tot mijn ontroerende verbazing en verlossende dankbaarheid hoe mijn moeder als een maagdelijk en zielsgelukkig wezentje in een ragfijn elfjesjurkje over een heel smal pad de Lichtstad met haar paarlen poorten binnenhuppelde.

Mijn ouders gaan gelukkig niet meer gebukt onder de lasten van het leven. Zij zijn voorgoed vertrokken naar het hiernamaals en hebben hun rugzakken vol van verloren dromen en verspilde moeite bij mij achtergelaten. Ik kijk af en toe wat er zoal in zit. En dat is verwarrend en verhelderend tegelijk. Ik vind er beelden uit mijn jeugd in terug. Vergeten gebeurtenissen ook. Ik denk dat ik hun rugzakken maar beter bij het grofvuil kan zetten.